Portacabin-arrest
Het Portacabin-arrest is een arrest van de Hoge Raad uit 1997 dat de criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst verduidelijkt, met name de gezagsverhouding.
Het Portacabin-arrest (HR 14 november 1997, NJ 1998/149) betreft een zaak waarin de vraag centraal stond of een werkende die in een portacabin werkzaamheden verrichtte, een arbeidsovereenkomst had met de opdrachtgever. De Hoge Raad oordeelde dat voor een arbeidsovereenkomst vereist is dat de werknemer zich verbindt om in dienst van de werkgever tegen loon gedurende een zekere tijd arbeid te verrichten, waarbij de gezagsverhouding doorslaggevend is.
Dit arrest is relevant omdat het de toetsingscriteria voor de kwalificatie van arbeidsrelaties heeft aangescherpt en nog steeds veel wordt toegepast bij discussies over schijnzelfstandigheid. In de praktijk helpt het advocaten en rechters om te bepalen of er sprake is van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht.
De uitspraak benadrukt dat de feitelijke omstandigheden en de mate van zeggenschap zwaarder wegen dan de contractuele benaming.
“In het Portacabin-arrest oordeelde de Hoge Raad dat de gezagsverhouding doorslaggevend was voor het aannemen van een arbeidsovereenkomst.”
Gerelateerde termen
Heeft u juridisch advies nodig?
Plan een gratis adviesgesprek met een van onze specialisten